Wie een biotechbedrijfje opstart, moet op zoek naar geldschieters. Subsidies aanvragen betekent echter veel bureaucratie en onduidelijkheid, zo stellen universiteiten. ‘Misschien is je voorstel gewoon nog niet ver genoeg ontwikkeld’, werpt een investeerder tegen.
‘Help’ staat er in grote hoofdletters op de laatste slide van Steven Tan, medewerker van de afdeling kennistransfer van het Erasmus MC. In een parallelsessie van het congres Life Sciences Momentum 2009 hebben zojuist drie in de steigers staande bedrijfjes hun opstartproblemen tentoongespreid. Vooral genoeg financiële armslag verkrijgen voor de opstartfase blijkt een lastig en ondoorzichtig proces te zijn. Onder het grote ‘Help’ staat dan ook de noodkreet: ‘Stroomlijn alsjeblieft de subsidiemogelijkheden.’
Doodsoorzaak nummer één
Tan illustreert de subsidieproblemen met BioTxs, een spin-offbedrijfje van het Erasmus MC waarvoor hij de financiën probeert rond te krijgen. BioTxs focust op preventieve bestrijding van hartaanvallen. Frank Pieper, oprichter van het bedrijfje, vertelt dat het een techniek ontwikkelt om zogenoemde endothelial progenitor cells (EPC) te detecteren. Deze cellen, die in heel lage concentraties in het bloed voorkomen, blijken een voorbode op een aankomende hartaanval. Met hart- en vaatziektes als doodsoorzaak nummer
Toch was geld hiervoor binnenhalen geen sinecure. In verschillende dierproeven is het principe al aangetoond, en ook in enkele patiënten is het proof of principle bevestigd. Wat moet volgen is de daadwerkelijke validatie met klinische trials, iets waar 475.000 euro mee gemoeid is. Maar in één klap genoeg geld binnenhalen bleek niet mogelijk. Daarom kozen de Rotterdammers voor een constructie waarbij ze drie verschillende subsidiebronnen aanboren. “Een ontzettend ingewikkeld systeem, met de nodige risico’s”, zo stelt Tan. De drie geldschieters, Technopartner, het Netherlands Genomics Initiative (NGI) en SenterNovem, hebben namelijk alle hun eigen voorwaarden.
Zo geeft Technopartner alleen geld uit aan de entrepreneur zelf, terwijl NGI en SenterNovem dat respectievelijk doen aan een universiteitsdepartement en een BV. Het geld valt dus niet in een keer te verzamelen. “Het betekent dus dat onze aanvraag door drie bureaucratische molens moet”, stelt Tan. “Drie comités moeten het project goedkeuren, wat neerkomt op zo’n twintig personen.” Dat is echter nog niet het vervelendste. “Valt er een geldschieter af, dan ligt het hele project in duigen.”
Procedure
Volgens Wil Hazenberg, als investeerder werkzaam bij Biogeneration Ventures en nauw betrokken bij NGI, is het nog maar de vraag of één subsidieverstrekker echt niet genoeg is, zo laat hij daags na het congres weten. “Een subsidie van het NGI is zo’n 250.000 euro, en daar kun je een hoop mee doen”, zegt hij. “Afhankelijk van de resultaten vraag je vervolgens meer aan, het hoeft niet allemaal in een keer.” Hij stelt dat de procedure en inhoud van het NGI-fonds in samenspraak met het bedrijfsleven is opgesteld en voldoet aan de door hen gestelde eisen. “Bovendien wordt ongeveer de helft van de aanvragen goedgekeurd. Lukt het je niet, dan moet je misschien je plannen of ambities aanpassen.”
“In het geval van BioTxs lijkt het erop dat ze willen dat NGI hun onderzoek financiert”, zegt Hazenberg. “Daar zijn bedrijfssubsidies echter niet voor.” Hij denkt dat de wetenschappelijk fundering van BioTxs nog te dun is. “De aanvraag is waarschijnlijk te vroeg”, zo stelt hij.
En dat terwijl ook het aanvragen van subsidies bepaald niet goedkoop is. Tan: “Ongeveer 10 tot 20 procent van het uiteindelijk binnengehaalde geld is al opgemaakt door het hele proces vooraf.” In de ogen van Hazenberg is echter ook dit waarschijnlijk toch wat overdreven. Hij stelt bovendien dat fondsen aanvragen een van de taken van een onderzoeker is, of dat nu voor het opstarten van een bedrijfje is of voor onderzoeksprojecten.
Odyssee
Toch bevindt BioTxs zich in een verder stadium dan Pepscape, het volgende bedrijfje dat zich op het Life Sciences Momentum-congres presenteert. Het wil eiwitmicroarrays aan de man brengen. Als grote voorbeeld heeft BioTxs het biotechbedrijf Affymetrix. Dat bedrijfje slaagde erin om DNA microarrays binnen 10 jaar van cutting edge naar labstandaard te brengen, en heeft daarmee heel veel geld verdiend. “Als zij het kunnen, moeten wij het ook kunnen”, denkt Jos Joore, een van de oprichters.
2 jaar geleden begon hij aan wat hij zelf een ‘epische odyssee voor subsidie’ noemt. Eiwitmicroarrays hebben volgens Joore een enorm potentieel, omdat ze meer zeggen over het functioneren van een cel dan genen. Het probleem is echter dat een cel zo’n honderdduizend tot een half miljoen eiwitten bezit, tegenover maar dertigduizend genen. Eiwitarrays moeten dus een stuk meer spots bezitten om al die eiwitten aan te tonen. Bovendien zijn eiwitten complexer om mee te werken, onder meer omdat ze specifieke conformaties moeten aannemen.
Om zijn concept te valideren had Pepscape 250.000 euro nodig, een risicovolle investering zo vroeg in het proces. Ondanks de overtuiging van Joore stonden geldschieters niet in de rij. Zowel in plan A als B sloeg het kip-en-eiprobleem toe. Het NGI en durfkapitaalbedrijven wilden beide eerst meer bewijzen zien, terwijl het geld dat Pepscape nodig had juist was bedoeld om dat bewijs te vinden.
Het hoge risico was echter niet het enige wat de weg naar subsidie versperde, zo beweert Pepscape. Er zit ook een discrepantie tussen enerzijds technologie- en engineeringfondsen en anderzijds life science-fondsen. De validatie van eiwitarrays was een combinatie van die twee, en daar zijn de subsidiebronnen niet op berekend. Er is weinig overlap tussen de twee subsidiestromen en dat maakt geld binnenhalen voor dit soort projecten een crime. “Er is sprake van een fund-focus mismatch”, meent Joore.
Plan C
Ook over Pepscape is Hazenberg kritisch. “Ik begreep dat men al een behoorlijke tijd bezig met geld ophalen voor dit idee, maar tot nu toe is er blijkbaar nog niemand geïnteresseerd”, zegt hij. “Het wordt daarom misschien tijd dat de initiatiefnemers zich eens goed achter de oren krabben. Je kunt nog zo optimistisch zijn over je eigen idee, als niemand met je in zee wil, is je voorstel misschien wel niet ver genoeg ontwikkeld en heeft het meer tijd in de academie nodig.”
Op dit moment zit Pepscape nog steeds zonder geldschieter en probeert het plan C, een valorisation voucher van het Netherlands Proteomics Centre (NPC). In december hoopt Pepscape hier uitslag van te krijgen. Vanuit de zaal worden vervolgens nog enkele andere opties aangedragen, mocht ook dit Plan C mislukken, waaronder SenterNovem. Wat de kwaliteit van het voorstel ook moge zijn, de mogelijkheden lijken in ieder geval nog niet volledig te zijn uitgeput.
Bron: C2W nr. 2 -2009
Auteur: Hidde Boersma