Wat kan een ing nog?

Bijna een derde van de afgestudeerde hts-ingenieurs vindt zijn opleiding geen goede voorbereiding op de arbeidsmarkt. Sommige bedrijven vragen zich vertwijfeld af wat een hts-diploma nog waard is. Was vroeger alles beter?

‘Het hts-niveau is tegenwoordig teleurstellend’, zegt ir. Peter Rop (37), manager research & development bij NEM, een bedrijf dat stoomgeneratoren voor elektriciteitscentrales levert. ‘De vraag is’, zegt Rop, ‘kan iemand beoordelen of een berekening klopt?’ In het geval van NEM: ‘Brandt die pijp in die warmtewisselaar uit of niet? Ik kan er gewoon niet meer van op aan dat een afgestudeerde hts’er die rekensom kan maken.’

 

Bij scheepsbouwconglomeraat Damen Shipyards klinkt hetzelfde geluid. Goede scheepsbouwers zijn moeilijk te vinden, zegt ing. scheepsbouw Mijndert Wiesenekker (37), ontwerp- en offertemanager bij Damen Shipyards. Het niveau van tu’ers is redelijk constant, maar het niveau van afgestudeerde hts’ers wisselt sterk, meent hij.

 

Frank Legters (44), hoofd van de adviesgroep Ruimtelijke Ontwikkeling en Infrastructuur van ingenieursbureau Royal Haskoning, herkent dit beeld niet. ‘Je kunt mensen misschien minder dan vroeger aannemen op een diploma’, zegt hij. Twee aspecten van de praktijk leren ingenieurs niet op een hogeschool, maar die zijn van alle tijden, zegt Legters. ‘Commercieel denken en handelden en project management leren ze niet op school. Er moet toch wat te leren over blijven?’

 

Bij meer bedrijven zijn klachten over hts-opleidingen te horen. Een hts-ingenieur die is opgeleid in de eenentwintigste eeuw en zich ook bachelor in engineering mag noemen, heeft uiteraard niet dezelfde vakkennis als een hts-ingenieur uit de vorige eeuw. De vraag is: heeft hij werkelijk minder kennis en vaardigheden of gewoon andere?

 

Het rapport HBO-monitor publiceert beoordelingen van de afgestudeerden zelf. Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA), een onderzoeksinstituut van de Universiteit Maastricht, schrijft dit rapport voor de HBO-raad, de vereniging van alle 45 hogescholen in Nederland. ROA enquêteert hiervoor sinds 1991 jaarlijks zo’n twintigduizend hbo’ers anderhalf jaar na hun afstuderen, als ze net zijn begonnen aan hun loopbaan.

 

De antwoorden op de vraag: ‘Sluit uw functie aan op de door u gevolgde opleiding?’ geven een negatieve ontwikkeling weer (zie grafiek). Eind jaren negentig lag het percentage hts’ers dat hierop positief antwoordt op 85 procent, in 2007 op 75 procent.

 

Het percentage afstudeerders dat anderhalf jaar na afstuderen tevreden is over zijn opleiding als beroepsopleiding is laag, blijkt uit dezelfde HBO-monitor. In 2006 vond een krappe meerderheid, 53 procent, van alle hbo’ers dat hun opleiding een goede basis beidt om te starten op de arbeidsmarkt. De afgestudeerden aan het hoger technisch onderwijs beoordeelden hun opleidingen weliswaar beter, maar slechts 62 procent vond zijn opleiding een goede basis bieden voor de arbeidsmarkt.
In 2007 klom dit percentage naar zeventig procent, maar dat neemt niet weg dat een derde van de afstudeerders van een hogere technische beroepsopleiding zichzelf niet goed vindt voorbereid op dat beroep. Deze vraag wordt pas sinds een paar jaar gesteld, zodat de percentages niet te vergelijken zijn met tien jaar geleden.

 

Zou de verschuiving van kennisintensief naar competentiegericht onderwijs van de jaren negentig en de jaren nul een negatieve invloed hebben op de vaardigheden waarmee ingenieurs de arbeidsmarkt op worden gestuurd? ‘Competentiedenken is een tijd in de mode geweest’, zegt drs. ing. Bouke Bosgraaf, bij ingenieursvereniging KiviNiria verantwoordelijk voor onderwijsbeleid. ‘Vaardigheden werden belangrijker gevonden dan kennis.’ Bosgraaf is niet negatief. ‘Ik zie prachtige opleidingen, waar grote interactie is tussen bedrijven en scholen. Er is een groot commitment bij bedrijven om een bijdrage te leveren. Een bedrijf dat vindt dat de kwaliteit van het onderwijs niet goed is, moet er ook iets aan doen.’

 

Met het competentiegerichte onderwijs, kwam ook het projectonderwijs in zwang. Studenten moesten in groepen opdrachten uitvoeren, waarin ze niet alleen kennis, maar vooral vaardigheden in groepsprocessen opdeden. Het gevaar van de student die niets bijdraagt, maar wel zijn naam op het voorblad van het eindverslag zet, is hierbij groot. Deze zogenaamde freeriders halen het betreffende vak dan wel, zonder iets te hebben geleerd. Bosgraaf erkent het gevaar, maar ziet ook de freerider als leerobject. ‘Je medestudenten aanspreken op hun bijdrage is ook onderdeel van het groepsproces’, zegt hij. Bosgraaf heeft één kanttekening bij het projectonderwijs: ‘Naast de groepsprocessen moeten er ook dikke boeken vol kennis op het programma staan, die je alleen moet doorworstelen.’ Of die hele dikke boeken van vroeger er nog steeds bij zitten, weet hij niet.

 

Ir. Paul Oortwijn, directeur van Onri, de brancheorganisatie van Nederlandse advies- en ingenieursbureaus, ziet als gevaar van competentiegericht onderwijs dat studenten te weinig kennis en kunde opdoen. ‘Een student wordt weliswaar beoordeeld op competenties, maar onvoldoende op basiskennis. Wat ik van onze achterban hoor is: “we hebben niets aan mensen die hun gebrek aan kennis verbloemen met een goede babbel”.’ Het beeld van freeriders herkent hij: studenten die door te weinig individuele toetsing met te weinig bagage afstuderen. ‘Die kom je wel eens tegen, maar die worden snel uitgerangeerd. Ze komen hun proeftijd nauwelijks door of stranden na het eerste tijdelijke dienstverband.’ Of het niveau lager is, weet hij niet. Het is wel minder uniform dan vroeger, toen iedere werktuigbouwkundig ingenieur dezelfde stijfheid- en sterkteberekeningen kon maken. ‘Vroeger hoefde je er niet aan te twijfelen dat mensen bepaalde sommen konden maken. Nu weet je dat niet meer zeker.’

 

Dr. Rolf van der Velden, hoogleraar onderwijs en loopbaan aan de Universiteit Maastricht en programmaleider bij ROA, is kritisch over de ontwikkelingen in het hoger onderwijs in Nederland. ‘Je moet oppassen voor verhalen van vroeger was alles beter, zeker als je zoals ik boven de vijftig bent, maar in dit geval is dat niet onterecht.’

 

Hij weet niet of het mogelijk is om onterecht een diploma te krijgen door mee te liften met groepsopdrachten, maar wel dat er in Nederland minder eisen worden gesteld dan in veel andere landen. ‘Uit onze enquête blijft dat studenten vaak zeggen: “Dit was een makkie. Er had best meer geëist mogen worden”’, zegt de socioloog. Minder dan veertig procent hbo-techniekstudenten vindt dat zijn opleiding een uitdagend niveau heeft. Minder dan een kwart noemt de examens en opdrachten zeer pittig, blijkt uit het rapport ‘Schoolverlaters, tussen onderwijs en arbeidsmarkt 2007’.

 

Als één van de oorzaken van de klachten over het hbo-onderwijs van zowel studenten als bedrijven, wijst Van der Velden de invoering van het competentiegericht leren aan. ‘Het was een ideologische stroming onder onderwijskundigen en het kwam ook heel sterk uit de docenten zelf.’ Door de keuze voor vaardigheden boven kennis, wordt er volgens Van der Velden te weinig aan vakspecifieke kennis gedaan. ‘De ideologie was: kennis is niet nodig, want kennis veroudert toch.’ Het gevolg is dat een afgestudeerde zijn vakgebied niet meer overziet. ‘Je kan wel leren googlen, maar dan heb je nog geen vak geleerd. Je hebt inzicht nodig in de techniek van vandaag om met technische veranderingen om te kunnen gaan.’

 

Of een in de eenentwintigste eeuw afgestudeerde ingenieur minder goed direct inzetbaar is dan zijn oudere collega vroeger, blijft de vraag. Hoe dan ook, hij en zijn manager zullen gedurende de proeftijd van de eerste baan meer op hun qui-vive moeten zijn dan pakweg dertig jaar geleden, toen een beginnende ingenieur met zijn studieboeken op zijn bureau eerst een paar jaar pijp- of balkdikten mocht gaan berekenen. De taak van de manager is ook moeilijker geworden. Frank Legters van Haskoning: ‘Misschien is het lastiger de juiste figuur op de juiste plek te krijgen, maar dat is niet het probleem van de student, maar het probleem van de manager.’

Auteur: Mark van Baal

Bron: Technisch Weekblad 18/19, 9 mei 2009