Deeltijdwerk remt de carrière in techniek af

De klik tussen vrouwen en techniek is er, maar veel vrouwen betwijfelen of zij hun ambities wel kunnen waarmaken. De wens in deeltijd te werken lijkt het grootste struikelblok.

Slechts 43 procent van de jonge vrouwen in technische beroepen verwacht te kunnen doorstromen naar een hogere managementfunctie, terwijl 71 procent van hen dat zou willen. Regelingen betreffende arbeid en zorg vormen een obstakel: niet meer dan 43 procent is hier tevreden mee.

 

Deze knelpunten komen naar voren uit een kwantitatief onderzoek naar de tevredenheid en ambities van jonge vrouwen in technische beroepen. Dit onderzoek is onlangs uitgevoerd door de VHTO, het landelijk expertisebureau meisjes/vrouwen en bèta/techniek/ict. Deze organisatie hield een enquête onder de duizend vrouwen uit hun eigen rolmodellendatabase Spiegelbeeld en kreeg respons van honderdnegentig van hen.

 

De vraag in hoeverre deze resultaten een sentiment dan wel een realistisch beeld geven van de daadwerkelijke situatie, kon de VHTO niet beantwoorden. De VHTO – een ‘selfsupporting en non-profit organisatie’ – houdt de in- en uitstroom van vrouwen in het hoger technisch onderwijs nauwkeurig bij. Eenmaal op de arbeidsmarkt worden de vrouwen in technische disciplines echter een stuk moeilijker te volgen en verdwijnen ze statistisch gezien bijna buiten beeld, ook bij het CBS en het Platform Bèta Techniek.

 

Geconfronteerd met de genoemde knelpunten, zegt ir. Wouke Lam (50), senior mentor van het vrouwennetwerk van Shell: ‘Het is niet de wens voor een hogere functie, maar het gat tussen wens en realisatie.’ De vrouwen in het netwerk, zowel met technische als niet-technische functies, geven regelmatig aan dat de zorg voor kinderen een reden is om het bedrijf te verlaten. Dankzij de feedback die de vrouwennetwerken van Shell gaven op een onderzoek naar stimulansen en blokkerende maatregelen, is het aanbod aan regelingen zoals verlof, kinderopvang, thuiswerken, duobaan, flexibele werktijden aanzienlijk verruimd.

 

‘Het is ook wat je zelf wilt’, stelt ir. Inge Roos (40), procesingenieur bij Shell. Ze heeft de ambitie om op termijn teamleider te worden. Jaarlijks maakt ze in overleg met haar direct leidinggevende een persoonlijk ontwikkelingsplan. Echter, sinds de komst van haar dochter is ze minder carrièregericht. ‘Op dit moment is de combineerbaarheid van mijn baan met de zorg voor mijn zevenjarige dochter veel belangrijker dan een zo hoog mogelijke functie bereiken. Ik heb dat geaccepteerd. Ik wil alles, een baan én kinderen, dus moet ik overal wat op inleveren. Ik vind dat ook realistisch.’

 

Drs.ing. Eveline de Jongh (32), voorzitter van Ferra, het vrouwennetwerk van Corus, koppelt het doorstroomprobleem vooral aan de wens parttime te willen werken. ‘Het beeld heerst dat leidinggeven op een productieafdeling niet in deeltijd kan. Dat komt naar mijn idee omdat het management het nooit geprobeerd heeft. Ik denk dat het met goede afstemming van een collega als plaatsvervanger zou moeten kunnen. Wel hoor ik dat er aanzienlijk meer vrouwen dan mannen zijn die parttime willen werken. Maar het doorstroomprobleem is voor alle parttimers hetzelfde.’ Bij Corus zijn er goede regelingen betreffende arbeid en zorg, echter de combinatie leidinggevende en takenpakket maakt dat het soms in de praktijk niet lukt, vertelt De Jongh. ‘Sommige leidinggevenden vinden al dat gerooster een heel gedoe en zien het als een verzwaring van hun taak.’ Ferra ventileert zijn mening niet als groep en dat betekent in de praktijk dat vrouwen bij Corus voor hun eigen belangen moeten opkomen.

 

In het onderzoek naar loopbanen in bèta/techniek 2007 van het ROA (Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt) staat dat deeltijdwerk onder hoogopgeleide bèta’s en technici veel minder voorkomt dan onder andere hoogopgeleiden. Vijf jaar na het afstuderen geldt dat nog steeds.

 

Verder is in de technomonitor 2008 van het Platform te lezen dat de tevredenheid over de mogelijkheden tot zelfontwikkeling in het werk bij vrouwen in technische beroepen (44 procent) lager is dan bij de niet-technische vrouwen (57 procent), en bovendien veel lager dan bij technische mannen (59 procent) en niet-technische mannen (62 procent).

 

Bron: Technisch Weekblad

Auteur: Alexandra Beerta